Belgisch Congo

Leer hier meer over de geschiedenis van diamanten uit Belgisch Congo.

Belgisch Congo, historie

In de periode 1908 tot 1960 was Belgisch Congo een kolonie van België en daarvoor was het gebied vanaf 1885 bekend onder de naam Kongo-Vrijstaat en betrof het een privékolonie van de Belgische vorst Leopold II. Als gevolg van deze koloniale bedrijvigheid van de vorst hebben de Belgische industriëlen en ook de financiële wereld een rijkdom verworven aan grondstoffen en mineralen. Aan het begin van de twintigste eeuw werd Belgisch Congo het terrein van investeringsgroepen uit België. Er werden diverse grote bedrijven opgericht, zoals de Formière en de Union Minière du Haut-Katanga. De laatstgenoemde onderneming richtte zich op het exploiteren van non-ferro metalen en het eerstgenoemde bedrijf hield zich bezig met het winnen van ruwe diamanten en goud. In een deel van Kasaï werden in de regio Mbuji Mayi diamantschachten gevonden en dat terwijl het centrale deel van Congo redelijk arm was aan mineralen.

 

Forminière

De onderneming Forminière is opgericht in 1906 maar leek binnen een aantal jaren al geen lang leven beschoren. De prospectie kostte enorm veel geld en had nog weinig concrete resultaten opgeleverd. Het investeringsgeld ging snel op aan kosten van bezoldiging, reiskosten, voedsel, technische uitrusting en ter plekke gedane uitgaven. Dat leidde ertoe dat het geld van de Belgische en Amerikaanse aandeelhouders snel opraakte, zodat er geld geleend moest worden. In 1911 werd er door de Telemijn nog 23 kilo goud opgebracht, maar de voorschotten van ongeveer drie miljoen frank in 1912 waren afkomstig van de Generale Maatschappij in België en van de Amerikaanse investeringsgroep. Er kwam echter een positieve wending nadat ingenieur P. Lancsweert belast werd met een onderzoeksmissie in Afrika.

 

bankbiljet Belgisch Congo

 

Ingenieur P. Lancsweert

De onderzoeksreis werd op een wetenschappelijke wijze voorbereid door Lancsweert, die onder meer reisverslagen van zijn voorgangers aan een analyse onderwerp en zich uitgebreid documenteerde. Ook werden er allerlei typen stalen door Lancsweert onderzocht die op kantoren werden bewaard. In 1909 werd er een koker zonder etiket geopend door de ingenieur en daarin zaten niet alleen een aantal waardeloze monsters, maar ook een mini kristal van twintig milligram. Dit kristal werd minutieus onderzocht onder de microscoop en ook werd de hardheid getest. Het bleek dat het kristal kwarts kraste en daardoor alleen maar diamant kon zijn. Het kristal werd daarop verder onderzocht door de mineraloog Henry Buttgenbach, die aan de Universiteit van Luik werkzaam was. De vraag was toen nog waar de diamant gevonden was en door wie. Narcisse Janot bleek daarover opheldering te kunnen bieden, want Janot herinnerde zich dat de koker naar Maniema was gezonden. Daarop werd de geoloog M.K. Shaler weer gevraagd om zijn notities na te gaan. Uit de notities bleek dat er op 4 november 1907 geschreven was dat er in de omgeving van de watervallen van Pogge in de Mai-Munene een doorzichtige kleine steen was gevonden. Over deze steen werd geschreven dat deze een grotere schittering kende dan het diamantmonster in de koker. Verder werd erbij vermeld dat de steen voor onderzoek apart zou worden gehouden. Uit de notities bleek dus dat het kristal in Kasaï was gevonden, maar dat gaf nog geen garantie op de aanwezigheid van een rendabele vindplaats van diamanten.

 

 

bewaker in Belgisch Congo

Onderzoeksmissie juli 1911 in Kasaï

Nadat duidelijk was waar de diamant vandaan kwam vertrokken prospector Janot en ingenieur Lancsweert in 1911 naar Afrika om daar uit te komen in de omgeving van Kasaï. De prospector begaf zich in augustus op veertig kilometer afstand van Charlesville stroomopwaarts om de rivierbedding te doorzoeken. Op 6 augustus 1911 werd de eerste diamant gevonden bij de samenloop van Kabambaie en Kasaï. Deze vindplek bevond zich op nog geen vijfhonderd meter van het handelskantoor van de Maatschappij van Kansaï. Janot vond in een paar dagen ongeveer veertig diamanten en op 10 september nam de prospector contact op met Brussel om de directie van Forminière te laten weten in totaal 242 stenen gevonden te hebben. In Tshikapa vond Janot tien diamanten in de rivierbedding en daarna kwamen er al snel meer ontdekken. Zo werden er negen diamanten gevonden in een zijriviertje van de Tshikapa en zeven diamanten in de omgeving van de Pogge watervallen. In december 1911 werd de vallei van de Longatshimo onderzocht en werden er binnen een paar dagen in totaal 237 diamanten gevonden.

 

Eerste zetel Forminière in Afrika

Na alle ontdekkingen van de diamanten besloot de directie van Forminière om zich te richten op de betreffende regio. De baas van de missie, Olivier, vestigde zich op 5 maart 1912 aan de samenloop van de rivier Tshikapa en de Kasaï. Daar werd een aarden hut gebouwd met een dak dat uit bladeren bestond. De hut beston uit twee kamers en daarmee was de vestiging van de eerste zetel van Forminière in Afrika een feit en was het bedrijf op financieel vlak in ieder geval gered. De toekomst zag er vanaf dat moment goed uit en dat allemaal doordat de ingenieur P. Lancsweert nauwkeurig zijn onderzoeksmissie voorbereidde en een klein diamantje had gevonden in een koker. De aandeelhouders werden verrast tijdens de bijeenkomst waarop de balans en rekeningen van het boekjaar ter goedkeuring werden voorgelegd. De aandeelhouders kregen namelijk een nieuwe post te zien op de balans van de diamanten in stock in Afrika en Brussel.

Belgisch Congo

 

Eerste zending diamanten vanuit Belgisch Congo

De eerste zending diamanten vanuit Kasaï in Belgisch Congo arriveerde in Antwerpen op 28 oktober 1913. De zending aan boord van de Anversville kreeg zelfs een vermelding in de krant. In de kranten was te lezen dat de zending in totaal 6,795 Hollandse karaat diamant bevatte, wat neerkomt op 206,446 milligram. De productie nam toe en er werd onder meer een diamantveld geopend in de vallei van de Tshikapa.

Aan het einde van het jaar 1913 werd er in Belgisch Congo al een totale productie tot stand gebracht van vijftienduizend karaat. De groei van het bedrijf Forminière werd onderbroken door de Eerste Wereldoorlog, maar aan het einde van de oorlog herstelde productie zich en werden de activiteiten verder uitgebreid. De complete diamantproductie van Belgisch Congo was in handen van Forminière en dat gold niet alleen met betrekking tot de eigen exploitatie, maar ook ten aanzien van de exploitaties in opdracht die zich vanaf 1920 aandienden.